Home »

 

Titus Brandsma

 

Het Titus Brandsma Instituut is in 1968 opgericht als een vorm van samenwerking tussen de Radboud Universiteit Nijmegen en de Nederlandse Karmelprovincie ter nagedachtenis aan prof. dr. Titus Brandsma (1881-1942), karmeliet.

Vanaf de oprichting van de Universiteit in 1923 tot zijn dood in 1942 bekleedde Titus Brandsma de functie van hoogleraar in de Wijsbegeerte en de Geschiedenis van de vroomheid, met name in de Nederlandse mystiek. Het Titus Brandsma Instituut werd opgericht om de wetenschappelijke activiteiten van Titus Brandsma met betrekking tot de studie van de spiritualiteit en de mystiek voort te zetten.

Begin van de Diesrede van Titus Brandsma over het Godsbegrip, gehouden in 1932 aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen:

‘Onder de vele vragen die ik mijzelf stel, houdt wel geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mens, prat en fier op zijn vooruitgang, zich in zo grote getale afkeert van God. Ontstellend is het, dat wij in onze tijd van zo grote vooruitgang op allerlei gebied staan voor een, als een besmettelijke ziekte voortwoekerende godsontering en godsontkenning. Hoe is het godsbeeld zo verduisterd, dat zovelen er niet meer door getroffen worden? Is daar tekort alleen aan hun zijde? Of wordt er iets van ons gevraagd om het weer in helderder licht te doen stralen over de wereld en mogen wij de hoop hebben, dat een studie van het godsbegrip deze grootste aller noden tenminste lenigen zal?’

Voor meer informatie over het leven van Titus Brandsma Instituut verwijzen wij u graag naar www.carmeliteinstitute.nl.

Titus-Diesrede

Foto van Titus Brandsma in 1932 als rector magnificus

Bij het beeld van Titus Brandsma op de campus

Bij de onthulling van het beeld van Titus Brandsma in de Thomas van Aquinostraat op de campus van de Radboud Universiteit in Nijmegen sprak de maker ervan, G.L. Mathot, redemptorist, de volgende tekst uit:
‘Als ik bij uw kijken naar het bronzen beeld van pater Titus Brandsma uw ogen zou mogen gidsen, zou ik twee tegenstellingen noemen, die tot samenklank moesten komen.

Vooreerst een tegenstelling, die ‘n beetje meetkundig is. De plaats voor zijn beeld moet wel in de nabijheid zijn van de faculteit van wijsbegeerte, waaraan hij als hoogleraar verbonden was; en in de nabijheid de ‘communicatie middelen’ die zijn zorgen steeds meer in beslag namen in de dagen van nazidom, oorlog en bezetting. Daar kwam de Thomas van Aquinostraat voor in aanmerking; en daarin een bepaalde muur. Maar die muur staat in een hoek van 45 graden op de looprichting van de straat. Het beeld van deze ‘meegaande’ man moest wel in de richting van het verkeer staan, niet haaks erop, zelfs niet afwijkend. Dit bevat conflictstof. Als je de figuur daar denkt, en wel in de richting van de straat, is er tegen die muur nauwelijks enige ruimte voor de rechterkant van het beeld, terwijl zijn linkerzijde ruimte in overvloed heeft. Dit maakt echter ‘n spel mogelijk tussen nauwelijks enig reliëf en volkomen vrij staande delen. Vrijstaand is vooreerst het hoofd en de naar voren tredende voet en eigenlijk ook de handen; maar de linker is overbelast door twee toga’s en veel plooien. Dit spel moest een rustig geheel vormen met een duidelijke omtrek en – dit vooral – met zinvol benadrukken van het één en terughouden van het ander.

Een andere tegenstelling, die om oplossing vroeg, is minder materieel; raakt eigenlijk onmiddellijk de persoon van de ‘pater-professor’. Kenmerkend voor deze tegenstelling heet de rede: ‘Meer dan hoogleraar’. Toch is zijn hoogleraarschap de reden, waarom hier op het terrein zijn beeld gewenst wordt. Ik heb trachten aan te geven, dat deze hoogleraar op de eerste plaats medemens en medechristen is vanuit zijn innerlijkheid. Dit heb ik aangeduid vooreerst door een spelletje met de twee toga’s. Zijn hoogleraarstoga van zijde en fluweel en tressen draagt hij over zijn linkerarm (waarmee tevens die zijkant van het beeld zich voegt in de straat-wand). Maar zijn eenvoudig habijt van Carmeliet is zijn lijfrok.

Vooral echter heb ik getracht in zijn houding en in de uitdrukking van zijn gezicht de mens te typeren met zijn aanspreekbaarheid en zijn dienstvaardigheid, met toch de indruk van ingekeerdheid in studie en gebed. Deze gelijktijdigheid van het één en het ander kenmerkt namelijk heel dat leven tot in gevangenschap, ziekte en dood toe.

Wat zich aandiende als tegenstellingen die met elkaar verzoend moesten worden, mag als innerlijke spanning blijven boeien’.

Titus

Beeld van Titus Brandsma op de campus van de Radboud Universiteit, Thomas van Aquinostraat 8. Dit beeld werd vervaardigd door G.L. Mathot C.ss.R.